De invulling en grenzen van de euthanasiewet staan voortdurend ter discussie. De publieke opinie in Nederland lijkt al langer te vragen om een bredere toepassing van de euthanasiewet. Het aantal gevallen van euthanasie (als percentage van alle sterfgevallen per jaar) is de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld, ondanks betere zorg. Euthanasie lijkt steeds meer een autonome keuze te worden van de patiënt, in plaats van een laatste redmiddel voor de arts. 

Huisarts Pauline Kouwenhoven deed acht jaar lang onderzoek en promoveerde onlangs op een proefschrift over de kennis en opvattingen over euthanasie en andere levenseinde beslissingen onder artsen, verpleegkundigen en verzorgenden en het Nederlandse publiek. 


Uit de resultaten van breed uitgezette vragenlijsten en interview onderzoek blijkt dat er onder de ondervraagden brede steun is voor de euthanasiewet. Alle partijen zijn echter terughoudend als het gaat om euthanasie in geval van psychisch lijden. Inmiddels is deze terughoudendheid onder het publiek afgenomen (3de evaluatie van de euthanasiewet, 2016). Maar voor artsen geldt dit niet. Kouwenhoven: ‘De verschuiving richting euthanasie als autonome keuze van de patiënt sluit aan bij een benadering van autonomie als recht. Het is echter belangrijk dat artsen en patiënten het gesprek blijven aangaan en een stervenswens bespreken in een bredere context. Dat houdt meer in dan alleen een toetsing van de wens aan de euthanasiewet. 

De beoordeling en begeleiding van (ondraaglijk) lijden door de arts blijft cruciaal. Net als bij normaal medisch handelen. Doorgaans  vertrouwt de patiënt op het artsenoordeel en komen arts en patiënt in gesprek gezamenlijk tot een goede aanpak. Dit zou zeker ook moeten blijven gelden voor een belangrijke en moeilijke beslissing als de keuze voor euthanasie. Euthanasie is een noodgreep. In de meeste gevallen kan een stervensproces op een andere manier heel goed door de arts worden ondersteund.

Op 7 december jl. promoveerde huisarts-onderzoeker Pauline Kouwenhoven op het onderwerp: Knowledge and opinions of health care professionals and the public about end-of-life decisions. Hieronder de belangrijkste conclusies en aanbevelingen. 

Belangrijkste conclusies
 
  1. De euthanasiewet wordt breed gedragen, met name waar het lichamelijk lijden betreft. Zowel professionals als het publiek zijn terughoudend als het gaat om euthanasie bij psychisch lijden. Gevorderde dementie vormt hierop een uitzondering, dit is een schrikbeeld voor burgers. Euthanasie bij dementie is een schrikbeeld voor artsen.
  2. Er lijkt een verschuiving gaande van een conflict van plichten van de arts richting autonomie van de patiënt als grondslag voor euthanasie. Deze verschuiving lijkt vooral aan te sluiten bij een benadering van autonomie als recht (vrijheid van externe bemoeienis). Patiënten en burgers met een euthanasieverzoek lijken echter meer gebaat bij een benadering vanuit autonomie als ideaal (vrijheid tot ontwikkeling en ontplooiing door het verhelderen van wensen en verlangens). Hierbij is het beoordelen en begeleiden van (ondraaglijk) lijden door de arts cruciaal.
  3. Het is opmerkelijk dat het belang dat gehecht wordt aan autonomie in het verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding, nauwelijks terug komt in de uitvoering ervan. Hulp bij zelfdoding als alternatief voor euthanasie wordt vaak niet met de patiënt besproken en blijft paradoxaal genoeg voornamelijk een keuze van de arts.

Belangrijkste aanbevelingen
 
  1. Zorgvuldige communicatie tussen alle betrokken partijen blijft essentieel voor een beter begrip van de (on)mogelijkheden van levensbeëindiging op verzoek.
  2. Het is van groot belang de balans te (her)vinden in het euthanasieproces tussen de professionele verantwoordelijkheid van de arts en de persoonlijke autonomie van de patiënt.
  3. (De keuze voor) hulp bij zelfdoding in plaats van euthanasie zou vaker kunnen worden besproken en uitgevoerd en dit zou de autonomie van de patiënt kunnen benadrukken.