Patiënten met leukemie krijgen via een stamcelbehandeling een nieuw immuunsysteem waardoor ze tijdelijk geen afweer hebben. Daardoor kan een ‘slapend’ herpesvirus, het zogenaamde cytomegalovirus, de kop opsteken. Een infectie met het CMV-herpesvirus kan longontsteking veroorzaken maar ook de beruchte transplantatieziekte, waarbij het nieuwe immuunsysteem de gastheer aanvalt. Als patiënten na een stamceltransplantatie toch overlijden is daar in bijna de helft van de gevallen een virusinfectie bij betrokken.


Niet alle patiënten krijgen echter te maken met deze gevaarlijke complicatie. Dr. Thijs Flinsenberg zocht onder leiding van medisch bioloog dr. Marianne Boes en kinderarts/oncoloog dr. Jaap Jan Boelens naar een manier om het optreden ervan te voorspellen. Ze bestudeerden vijf maanden lang patiënten die in het UMC Utrecht een stamcelbehandeling hadden ondergaan. Ze keken welke typen immuuncellen in het bloed voorkwamen en zochten naar verschillen tussen patiënten met en zonder de herpesvirus-infectie.


Helpende T-cellen


Flinsenberg en collega’s vonden een duidelijk verschil. Patiënten die geen last hadden van het herpesvirus bleken veel zogenaamde ‘helper T-cellen’ te hebben. Deze witte bloedcellen helpen de ‘killer T-cellen’ bij het herkennen van het herpesvirus en het opruimen ervan. Patiënten die wel last kampten met het herpesvirus hadden nauwelijks van deze helpende T-cellen.


Het nieuwe onderzoek van het UMC Utrecht suggereert dat het nuttig is om na een stamcelbehandeling in de gaten te houden hoeveel helper T-cellen er aanwezig zijn in het bloed van patiënten. Als dat er heel weinig zijn, kun je vermoeden dat een herpesvirus de kop op kan steken. Dan kun je het bloed gerichter onderzoeken op de aanwezigheid van het virus en eerder beginnen met de behandeling.


Flinsenberg en collega’s beschreven hun resultaten vorige week in het tijdschrift Journal of Virology.