Na afloop van de training kunt u:
- De verschillen en consequenties van formatieve en summatieve toetsing aangeven
- De voor- en nadelen van verschillende toetsvormen benoemen
- Aangeven welke toetsvorm geschikt is om welk soort doelen te toetsen
- Een weloverwogen toetsmatrijs opstellen
- Op basis van de criteria de juiste toetslengte bepalen voor een representatieve toets
- Op basis van de leerdoelen en toetsmatrijs de meest geschikte toetsvorm, vraagtypen en afnamevorm bepalen
- De ‘gouden regels’ voor het al dan niet toevoegen van feedback aangeven en toepassen
- Een weloverwogen cesuur vaststellen die past bij de OER en het examenreglement
- Aangeven wat het verschil is tussen relatief en absoluut cijfergeven
- Uitleggen hoe de manier van cijfergeven in relatie staat tot de normering en cesuur
- De kwaliteitseisen van een toets en toetsvragen benoemen
- De normwaarden voor betrouwbaarheid, moeilijkheid en onderscheidingsvermogen benoemen
- Aangeleverde α-waarden, p-waarden en Rit-waarden interpreteren en uitleggen op basis van IVLOS-analyses en analyses uit TestVision en WebCt
- Indicatoren berekenen voor verschillende soorten vragen op basis van gegeven formules
- Reparatiemogelijkheden in relatie tot cesuur en normering aangeven als waarden niet aan de norm voldoen