In het eerste jaar krijg je in het startblok een oriëntatie op het beroep van arts en op de gezondheidszorg. Ook wordt er aandacht gegeven aan het onderwijsprogramma CRU2006 en de werkvormen die gehanteerd worden. Aan het eind van het startblok doe je een zorgstage van twee weken. Daarna volgen zeven theorieblokken waarin je, vanuit een klinische context, brede basale kennis opdoet over gezonde en zieke cellen, stofwisseling, hersenen, infectieziekten en de afweer daartegen en de (patho)fysiologie van het hart- en vaatstelsel, longen en nieren.
Parallel aan dit blokonderwijs volg je klinisch lijnonderwijs (KLO). Hierin leer je aan de hand van beschrijvingen van patiënten als een arts redeneren en problemen oplossen. In het praktisch lijnonderwijs (PLO) krijg je training in medisch-technische vaardigheden zoals bloedafname, reanimatie, hechten en verbanden aanleggen. Daarnaast word je getraind in communicatie en professioneel omgaan met de patiënt.