Onder begeleiding van prof.mr.dr. J.A. (Hans) de Bruijn van de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de TU Delft, heeft Ian Leistikow het proefschrift geschreven "Patiëntveiligheid; de rol van de bestuurder". Zie onder voor een link naar de site van prof. de Bruijn.
Het proefschrift is als handelseditie uitgegeven door Elsevier Gezondheidszorg. Zie onderaan deze pagina de LINK naar Bol.com om een exemplaar te bestellen.
Samenvatting proefschriftDagelijks lopen tientallen patiënten in Nederlandse ziekenhuizen iatrogeen letsel op en komen potentieel vijf mensen te overlijden als gevolg van fouten in een zorgproces dat juist als doel had hen te helpen.
Leiding geven aan het verbeteren van de patiëntveiligheid behoort tot de meest complexe verantwoordelijkheden van de bestuurder, omdat:
- de bestuurder voor de oplossing afhankelijk is van een gevarieerde groep hoog opgeleide, autonoom werkende professionals;
- deze professionals kenmerken en werkwijzen hebben, geworteld in eeuwenoude tradities, die onderdeel zijn van het probleem;
- de problematiek ongestructureerd is.
Uit het theoretisch deel van het onderzoek komen zijn vier kenmerken van het thema patiëntveiligheid naar voren die vanuit sturingsperspectief relevant zijn omdat zij het moeilijk maken om leiding te geven aan het verbeteren van de patiëntveiligheid:
- beperkte zichtbaarheid;
- ambiguïteit en beperkte kenbaarheid;
- grote variëteit;
- het raakt de kern van het professioneel handelen.
In het empirisch deel van het onderzoek zijn drie casus onderzocht waarbij interventies werden ingevoerd die gericht waren op een probleem dat voldeed aan de vier kenmerken die typerend zijn voor thema patiëntveiligheid. Deze casus waren:
- de herstructurering van de Meldingscommissie Incidenten Patiëntenzorg (MIP);
- het invoeren van Systematische Incident Reconstructie en Evaluatie (SIRE) als methode voor incident analyse;
- het invoeren van Scenario Analyse van Faalwijzen, Effecten en Risico's (SAFER) als methode voor pro-actieve analyse van risicovolle zorgprocessen.
Vanuit verschillende bronnen zijn data verzameld waaruit blijkt dat de interventies hebben doorgewerkt in de organisatie. De doorwerking kan als volgt worden samengevat:
- de zichtbaarheid van de problematiek waar de interventie zich op richtte is toegenomen;
- er zijn manieren gevonden om met de ambiguïteit en de beperkte kenbaarheid van de problematiek waar de interventie zich op richtte om te gaan;
- de variëteit van de problematiek waar de interventie zich op richtte is minder verstorend geworden;
- professionele grenzen, die samenwerking met betrekking tot het oplossen van de problematiek belemmerde, zijn geslecht.
Het zicht op de aard en de omvang van de patiëntveiligheidsproblematiek nam toe en tegelijkertijd ontstond een doorlopend systeem waarin verbeteringen van de patiëntveiligheid werden bedacht en ingevoerd. Professionals werden mede-eigenaar van het probleem en er werd tot oplossingen gekomen die vervolgens zonder veel bestuurlijke moeite ingevoerd konden worden. Dit bleek bijvoorbeeld uit het feit dat van de acht onderzochte SAFER rapporten 85% van de 96 aanbevelingen was uitgevoerd, terwijl er geen controlemechanisme was vanuit de Raad van Bestuur om op de uitvoering toe te zien. Dat de oplossingen duurzaam waren bleek uit het feit dat vijf jaar na het invoeren van de SAFER methode 66% van de aanbevolen maatregelen uit de eerste acht rapporten nog steeds in gebruik was. De aanstuurbaarheid van het thema patiëntveiligheid nam zo toe en de SAFER’s en de SIRE’s alleen al leidden in de eerste twee jaar dat zij werden toegepast tot het invoeren van bijna 150 maatregelen waarvan zowel de zorgprofessionals als hun managers meenden dat dit de patiëntveiligheid zou verbeteren. Hierdoor kon de Raad van Bestuur steeds beter invulling geven aan zijn eindverantwoordelijkheid voor het leveren van verantwoorde zorg, voor wat betreft het aspect patiëntveiligheid.
Dit onderzoek suggereert dat een bestuurder leiding kan geven aan het verbeteren van patiëntveiligheid door middel van procesmatige aansturing. Om dit tot acceptabele en vertrouwenwekkende uitkomsten te doen leiden, moet de aansturing voldoen aan de volgende zes kenmerken:
- Inbreng;
(alle betrokkenen moeten inbreng kunnen geven)
- Veiligheid;
(deelname moet voor alle betrokkenen veilig zijn)
- Druk;
(er moet een juiste hoeveelheid druk worden georganiseerd om de voortgang te bewaken)
- Ratio;
(de uitkomsten moeten inhoudelijk verdedigbaar zijn)
- Aansluiting op professionele waarden;
(professionals moeten intrinsiek gemotiveerd kunnen worden voor deelname)
- Procesondersteuning.
(het initiatief en de ondersteuning moeten door het bestuur georganiseerd worden)
De bestuurder speelt hierin zelf een essentiële rol en deze is vierledig:
- bovengenoemde omstandigheden scheppen waardoor processen kunnen opstarten;
- processen bewaken;
- uitkomsten van processen beoordelen;
- geaccepteerde uitkomsten bekrachtigen en inbedden in de organisatie.
Als het bestuur op deze manier leiding geeft aan het verbeteren van de patiëntveiligheid, leveren de zorgprofessionals de inhoudelijke kennis terwijl het bestuur steeds beter invulling kan geven aan zijn eindverantwoordelijkheid voor het verbeteren van de patiëntveiligheid.