Hieronder treft u relevante informatie over de Combitest aan.
In het Centraal Orgaan is besloten dat de NT plus methode geen onderdeel is van de screening en dit niet mag worden uitgevoerd in het kader van de screening op Downsyndroom.
Klik
hier voor de richtlijn op de website van het RIVM.
In het Centraal Orgaan is afgesproken dat alle vrouwen met een verhoogde kans uitslag de mogelijkheid moeten krijgen om in een centrum voor prenatale diagnostiek informatie te krijgen over prenatale diagnostiek en pas na dit gesprek besluiten of ze dit wel of niet willen ondergaan.
Het RIVM bewaart het serum na de Combitest maximaal 6 jaar.
Restanten van het monstermateriaal kunnen voor zgn. nader gebruik worden aangewend. Deze monsters kunnen dan, geanonimiseerd, dienen als controlemateriaal voor bestaande onderzoeken of als proefmateriaal voor nieuwe onderzoeken. Indien een zwangere bezwaar maakt tegen gebruik van haar monstermateriaal voor deze doeleinden, kan zij dit kenbaar maken op het aanvraagformulier '1e trimester serum test'.
In het NVOG-modelprotocol nr. 4 Nekplooimeting wordt als eis gesteld dat de foetale CRL tussen de 45 en 84 mm moet liggen. Vanaf eind juni 2008 accepteert het RIVM voor het berekening van een combinatietest alleen NT-metingen waarvan de CRL groter is dan 45 mm.
Uit de praktijk blijkt dat soms zwangeren nadat een verdikte nekplooi is vastgesteld voor invasieve diagnostiek worden doorgestuurd nog voordat het bloedonderzoek als onderdeel van de Combitest is gedaan. De SPSRU verzoekt ieder dringend in deze situaties de Combitest af te ronden. Het laboratorium van het RIVM, die in onze regio verantwoordelijk is voor de kwaliteitsbewaking van de Combitest, wijst er op dat anders de resultaten van de Combitest in onze regio een vertekend beeld zullen geven.
De Down syndroom kansbepaling voor tweelingzwangerschappen is complex. Het Centraal Orgaan heeft vastgesteld dat de berekening van de kans per foetus te verkiezen is boven de kans per zwangerschap. Zowel de NT meting als de serumparameters leveren waardevolle informatie over de zwangerschap. Het toevoegen van de biochemische parameters verlaagt het percentage 'hoog risico' uitslagen in belangrijke mate. Alle beschikbare parameters dienen dus, indien beschikbaar, gebruikt te worden bij de tweelingkansbepaling. Meer informatie vindt u op de RIVM-website.
De huidige screening op Downsyndroom is uitgebreid met de screening op trisomie 18 (syndroom van Edwards) en trisomie 13 (syndroom van Patou). De minister van VWS heeft hiertoe op 21 mei 2010 een vergunning afgegeven.
Er komt geen grootschalige campagne voor publiek om aan te geven dat de screening is uitgebreid.
Conform de vergunning van VWS is de folder ‘Screening op Downsyndroom’ primair gericht op Downsyndroom.
De kernboodschap is: ‘U kunt laten onderzoeken hoe groot de kans is op een kind met Downsyndroom. Hierbij kunnen ook andere aandoeningen worden gevonden’.
Een aparte screening op trisomie 13/18 is niet mogelijk in het kader van de screening: dat wil zeggen zal niet routinematig worden aangeboden door de zorgverleners.
In de brochure is verder weergegeven welke aandoeningen dit zijn (Edwardssyndroom of Patausyndroom) en hoe hoog de kans hierop is.
Deze nieuwe brochure is sinds 1 april 2011 beschikbaar en kunt u hieronder downloaden.
Bij de kansbepaling op Down wordt uitgegaan van de kans op het moment van de test.
Onlangs hebben de SPSRU, het RIVM en vertegenwoordigers van enkele grote screeningscentra de nieuwe werkwijze bij de combinatietest geëvalueerd.
In 1 op de 3 gevallen laat de zwangere rond de 10 weken bloed prikken, zijn alle gegevens correct ingevoerd door verloskundige en laboratorium, volgt er rond 12 weken een echo (nekplooimeting) in het screeningscentrum en volgt binnen 24 uur na die echo een kansberekening van het RIVM.
Dit is de ideale situatie.
Echter, in 2 op de 3 gevallen loopt het (nog) anders.
Daarom stellen wij een aanpassing van de werkwijze voor.
Vanaf 1 mei 2012 hebben verloskundigen de keuze uit 2 mogelijkheden:
1. verloskundigen laten hun cliënten rond 10 weken bloed prikken en zijn zowel de aanvrager als de indiener. Dat betekent dat zij op het formulier hun naam- en adresgegevens zullen dienen te vermelden in het roze kader en dat zij vervolgens van het RIVM de bloedwaarden, en na afloop van de echo (nekplooimeting) ook de kansberekening zullen ontvangen. Zij krijgen daartoe van het RIVM een eigen beveiligde verbinding met het RIVM waarin al deze gegevens zichtbaar worden. Het is in dit traject aan de verloskundige om de eigen cliënt te informeren over de uitslag.
2. overigens, is de oude werkwijze (echo en bloedafname in 1 keer) nog altijd een optie. Na de echo wordt er bloed geprikt. In die gevallen zal het gehele traject door het screeningscentrum verzorgd worden. In het screeningscentrum zal de zwangere direct na de echo het door het screeningscentrum ingevulde bloedsetje ontvangen. In deze 2e mogelijkheid krijgt het screeningscentrum alle informatie van het RIVM. Het is in dit oorspronkelijke traject aan het screeningscentrum om de cliënt en de verloskundige te informeren over de uitslag.
NB de indiener krijgt altijd de factuur van het RIVM.
Bij de 1e mogelijkheid dient de verloskundige de factuur door te sturen aan het screeningscentrum die verantwoordelijk is voor de NT-meting. Het screeningscentrum dient dan de factuur te voldoen.
Wij hopen hiermee de betrouwbaarheid van de combinatietesten te verhogen.
Ook deze aanpassing in de werkwijze zullen wij na verloop van tijd evalueren.
(11 april 2012)