Inleiding
Normaal wordt de ingeademde lucht door het slijmvlies van de neus bevochtigd, gefilterd en verwarmd.
Bij een tracheostoma waarin een tracheacanule is geplaatst, is dit niet het geval.
Dat wil zeggen dat de natuurlijke functie van de neus, bij een geopende tracheacanule, niet voldoet.
De ademhaling zal (bij een geopende tracheacanule) tijdens spontane ademhaling rechtstreeks via de tracheacanule verlopen.
Ook tijdens beademing zal onbevochtigde lucht via de tracheacanule worden ingeblazen.
Deze lucht is droog en relatief koud.
Onvoldoende bevochtiging kan leiden tot indikking van slijm en bloederige korstvorming.
De kans op een infectie neemt hierdoor toe.
Dit betekent dat deze lucht van buitenaf moet worden bevochtigd.
Het gebruik van een bevochtiger in deze situatie is dan ook altijd nodig.
Zodra echter de tracheacanule afgesloten (‘afgedopt’) is, vindt de bevochtiging weer plaats via de natuurlijke weg.
Bij patiënten die via een neusmasker/mond-neusmasker worden beademd is extra bevochtiging niet altijd nodig.
De neus zelf bevochtigt een deel van de ingeblazen lucht.
Soms schiet de neus zelf echter in deze functie tekort. Dit gebeurt bijvoorbeeld tijdens de sterke luchtstroom die de beademingsmachine aflevert of gedurende luchtlekkage langs het masker.Dan kan een bevochtiger nodig zijn.
Het gebruik van een bevochtiger bij een Full-Face (mond-neusmasker) komt zeer regelmatig voor.
De mogelijkheden tot bevochtiging zijn passief bijvoorbeeld bij gebruik van
• Een kunstneus
• Druppelen of sprayen met fysiologisch zout.
Of actief door gebruik te maken van
• Elektrische bevochtiging
• Elektrische bevochtiging met verwarmde slangen