Tijdens de opname worden een aantal zaken geobserveerd:
- klachten die wijzen op hypoventilatie
- de ademhalingsfrequentie en
- slaapkwaliteit.
Het koolzuurgehalte is een maatgevend voor de ademhaling.
Dat kan op drie manieren bepaald worden:
1. Arterielijn:
De patiënt krijgt een dun kathetertje in de polsslagader (arterielijn).
Een arterie-lijn wordt onder plaatselijke verdoving in de slagader gebracht.
Dit gebeurt op een plaats in de pols waar men de polsslag goed kan voelen.
Uit de arterie-lijn kan met tussenpozen bloed afgenomen worden, waaruit het koolzuur wordt bepaald.
Dit gebeurt met name tijdens de slaap.
2. Capilaire gassen:
Uit de oorlel of vingertop wordt een klein beetje bloed afgenomen. Hieruit kan de bloedgasanalyse bepaald worden.
3.Capnografie / pulsoxymetrie:
Dit apparaat bepaalt het koolzuurgehalte in de uitademingslucht. Er wordt gebruik gemaakt van een slangetje/brilletje in de neus.
Tegelijk wordt het zuurstofgehalte gemeten met een vingerclip .
Deze metingen worden in het geheugen van het apparaat vastgelegd.
Dit geheugen kan uitgelezen worden. Het geeft een beeld van de ademhaling gedurende de nacht.
Als blijkt dat er een ademhalingsprobleem bestaat wordt er gestart met beademing.
Er wordt door het team een passend masker of canule gezocht en een juiste beademingsmachine.
De machine wordt zo ingesteld dat de patient weer zo normaal mogelijk ademt.
Het instellen gaat op basis van de bovenstaande controles.