Bloed- en urineonderzoek

De bloedafname en het inleveren van de ochtendurine zijn een onderdeel van de onderzoeksdag. In het bloed worden de volgende bepalingen gedaan:


  • Glucose; om diabetes (suikerziekte) uit te sluiten. Diabetes geeft een hoger risico op hart- en vaatziekten
  • Creatinine; om de nierfunctie te meten
  • Homocysteïne; als deze stof verhoogd aanwezig is, is er een hoger risico op hart- en vaatziekten
  • Hemoglobine en hematocriet; om te meten hoeveel zuurstof in het bloed vervoerd wordt
  • Cholesterol, triglyceriden, LDL en HDL; om te meten hoeveel vet en welke soorten vet in het bloed aanwezig zijn. Een verhoogd cholesterol geeft een hoger risico op hart- en vaatziekten. Verder is er ook 'goed' cholesterol (HDL).

Patientbloedprikken2











In de urine worden gemeten:

  • Creatinine; opnieuw om de nierfunctie te meten
  • Micro-albumine; de aanwezigheid van eiwit in de urine kan als maat gebruikt worden voor de beschadiging van bloedvaten in het hele lichaam.
Samenvattend geven deze bepalingen in bloed en urine informatie over de aanwezigheid van zogenoemde risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Dit is om twee redenen van belang. In de eerste plaats kan met deze gegevens deels voorspeld worden of er veel of weinig risico is op het ontstaan van nieuwe hart- en vaatziekten in de toekomst. Daarnaast zijn de meeste bovengenoemde risicofactoren te behandelen met medicijnen. Als bij het SMART onderzoek een risicofactor ontdekt wordt, kan door behandeling het risico op toekomstige hart- en vaatziekten verlaagd worden.

Met toestemming van de patiënt wordt ook een deel van het bloed ingevroren. De bedoeling is om het ingevroren bloed in de toekomst te gebruiken voor verder wetenschappelijk onderzoek. Voor de patiënt zelf heeft dit geen gevolgen meer, maar een toekomstige generatie van patiënten is ermee geholpen.

Disclaimer© 2006-2012 UMC Utrecht, Alle rechten voorbehouden