Bij deze manier van overerving heeft in principe één van de ouders zelf de aandoening.
Kenmerken voor de dominante erfelijkheid zijn:
- de ziekte wordt gevonden in opeenvolgende generaties en komt zowel bij mannen als vrouwen voor;
- alleen degene die zelf de aandoening heeft kan deze overgeven aan zijn kinderen;
- de kans dat een kind van de aangedane persoon die ziekte heeft is 50%.
Het genealogisch onderzoek bij - het vermoeden van – autosomaal-dominante (AD) overerving is als volgt:
Eerst wordt er een zogenaamde parenteel gemaakt. Een parenteel is een in generaties gerangschikte opgave van wettige afstammelingen van de –in dit geval- oudst bekende patiënt.
Zijn er twee of meer families bekent met dezelfde AD overerving, dan kan de genealoog onderzoeken of deze twee families bloedverwant zijn, of zij een gemeenschappelijk voorouder hebben.
Van de bekende patiënten wordt dan een kwartierstaat gemaakt. Een kwartierstaat is een in generaties gerangschikte directe lijn van wettige voorouders van een bepaald persoon; dus twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders etc.
Deze lijst voorouders moet dan antwoord geven op de vraag of er verwantschap bestaat tussen de verschillende patiënten.
Vanuit een der gevonden gezamenlijke voorouders kan dan een stamboom gemaakt worden.
Op deze wijze kan worden aangegeven welke mensen een verhoogd risico hebben op het krijgen van de aandoening.