Hoofdlijnen van onderzoek

Verticale integratie in het medisch curriculum


Verticale integratie kan worden omschreven als de ontwikkeling in het medisch curriculum waarbij het klinisch, patiëntgebonden onderwijs zich verplaatst naar een vroege fase en het van oudsher als 'basisvakken' of 'preklinisch onderwijs' aangeduide deel van de opleiding meer naar de latere jaren verschuift. Verticale integratie verweeft de einddoelen van de opleiding met de traditioneel vroeg in de opleiding gedoceerde vakken. Deze ontwikkeling doet zich momenteel voor in veel medische opleidingen, zowel in Nederland als daarbuiten. Het heeft grote implicaties voor de plaats en functie van 'basisvakken' in de opleiding, naar inhoud, kwaliteit en lokalisatie. Het beperkt zich echter niet tot onderzoek op het terrein van de biomedische basisvakken; ook de training van klinische vaardigheden kan meer of minder 'verticaal geïntegreerd' zijn. De onderzoeksvragen beperken zich niet tot de artsopleiding. Zeer wel denkbaar is dat zij ook worden gesteld met betrekking tot vervolgopleidingen. Het onderzoeksgebied vertoont raakvlakken met andere onderzoeksterreinen uit onderwijskunde en psychologie, met name leren in de context (situated learning en constructivisme) en expertiseontwikkeling en ontwikkeling van vermogen tot klinisch redeneren (clinical reasoning).


Determinanten van het carrièreverloop van de arts in opleiding


Succes in carrièreverloop van de arts in opleiding, vanaf de allereerste start tot na de voltooiing van een vervolgopleiding tot specialist, huisarts of sociaal-geneeskundige, is van veel factoren afhankelijk. Onderwijs is er daar één van, naast persoonlijke capaciteiten en voorkeuren. Vragen als 'waarom doet de een het beter in de opleiding en het latere beroep dan de ander?' en 'wat bepaalt het tempo en de richting waarin de persoonlijke (studie)loopbaan zich ontwikkelt?' kunnen helpen bij het optimaal inrichten van de opleiding. Zo is bekend dat kenmerken van beginnende studenten geneeskunde niet of nauwelijks voorspellen hoe snel en goed zij zullen studeren, laat staan hoe zij zullen functioneren in het beroep. Dat wil niet zeggen dat er geen determinanten zijn. Enerzijds moet gezocht worden naar verbetering van methodologie, anderzijds zijn er determinanten die in de loop van de studie een rol gaan spelen. Het onderzoek in deze hoofdlijn heeft dan ook in belangrijke mate een longitudinaal karakter.

Tot het determinantenonderzoek behoort de exploratie van factoren die bepalend zijn voor specifieke beroepskeuze en de determinanten die de transitie van basis- naar vervolgopleiding faciliteren, waaronder effecten van een schakeljaar. In het bijzonder wordt nagegaan welke rol de vormgeving van het onderwijs speelt als determinant voor het carrièreverloop. Daarnaast zijn de relaties van selectiecriteria in de SUMMA opleiding met studievoorgang, sterkte van motivatie, gender en meetbare effecten op cerebraal niveau, voorwerp van een studie die in samenwerking met de onderwijshoogleraar ‘Graduate entry’ wordt uitgevoerd.


De Medische Vervolgopleiding


Het onderzoek in de hoofdlijn De Medische Vervolgopleiding richt zich in het bijzonder op de operationalisatie van ‘competency-based training, assessment and curriculum development’. Het concept Entrustable Professional Activity speelt daarin een centrale rol.


Overig onderzoek


Het “overige onderzoek” betreft deels onderzoek van promovendi vanbuiten het EC-O&O die wel begeleiding krijgen vanuit het Expertisecentrum. Voorbeelden zijn het onderzoek omtrent de ontwikkeling van de opleiding Physician Assistant (Spenkelink-Schut); onderzoek naar Design guidelines for authentic collaborative learning in higher education (Zitter) en onderzoek naar continuing professional development van verpleegkundigen (Pool). Onderzoek naar de Bacherl-Master structuur, peer teaching en toetsing zijn voorbeelden van projecten die recent door studenten zijn bewerkt.

Disclaimer© 2006-2012 UMC Utrecht, Alle rechten voorbehouden