Bij ontslag uit het ziekenhuis krijgt u mondmaskers mee. Gedurende het eerste jaar na transplantatie moet u in het ziekenhuis altijd een mondmasker dragen. Patiënten met Cystic Fibrosis (CF) moeten na de transplantatie altijd een mondmasker blijven dragen in ziekenhuizen.
Daarnaast raden we u aan altijd een mondmasker op zak te hebben als u weg gaat. Komt u onverwachts in een ruimte met veel (verkouden) mensen of komt u in aanraking met mensen die een infectie hebben, dan kunt u het mondmasker opzetten.
Rook niet. Roken tast teer longweefsel onmiddellijk aan. Dit leidt tot:
• slijmophoping
• hoesten
• ademhalingsproblemen en
• infectie
Daarnaast is roken de voornaamste oorzaak van hart- en vaatziekten. Door de medicatie tegen afstoting bent u gevoeliger voor hart- en vaatziekten. Vraag ook uw omgeving en bezoek niet te roken in uw nabijheid.
Alcohol is een slechte combinatie met medicatie. Een beperkte hoeveelheid alcohol is toegestaan. U mag 1 à 2 glazen per dag drinken.
De eerste zes weken na de operatie mag u niet zwaar tillen (bijvoorbeeld een volle emmer water), veel bukken of persen. Dat vertraagt de genezing van de wond en het aan elkaar groeien van het borstbeen. Hebt u moeite met de stoelgang? Vertel het de transplantatiearts. Hij kan u laxeermiddelen voorschrijven.
Als u thuis huisdieren hebt, hoeft u ze na de transplantatie niet het huis uit te doen. Schaf geen nieuwe huisdieren aan. Vooral poezen en vogels kunnen een infectierisico vormen. Verschoon in ieder geval nooit zelf een kattenbak.
U mag gerust bloemen en planten in huis hebben. We raden u aan om dagelijks het bloemwater te verversen. In stilstaand water groeien veel bacteriën en schimmels. Doe dit daarom niet zelf, maar laat het iemand anders doen. Als u planten wil verpotten of verplaatsen, trek dan tuinhandschoenen aan.
We raden u af om de eerste drie maanden na de longtransplantatie zelf auto te rijden. De narcose en de medicijnen kunnen uw reactievermogen beïnvloeden. Bent u binnen drie maanden na de transplantatie in staat om auto te rijden? Informeer dan bij uw autoverzekering of zij hiermee akkoord gaan. Sommige verzekeringen keren niet uit bij schade wanneer de patiënt binnen drie maanden na een grote ingreep weer gaat autorijden.
Ook is het beter om de eerste zes weken niet te fietsen. Met fietsen maakt u bepaalde bewegingen die het goed aan elkaar groeien van het borstbeen kunnen belemmeren. U mag wel fietsen op de hometrainer.
Zoen geen mensen met een verkoudheid of koortslip.
U kunt seksuele activiteiten hervatten als de wond goed genezen is. Dit is meestal zes tot acht weken na de operatie. Bepaalde medicijnen kunnen wel invloed hebben op uw seksueel functioneren. U kunt hierover praten met de transplantatiearts of verpleegkundige.
Als u nieuwe seksuele contacten aangaat, gebruik dan altijd een condoom. Zo loopt u geen risico op het krijgen van een seksueel overdraagbare aandoening. Laat uw seksuele partner eerst testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) voordat u stopt met het gebruiken van een condoom. Veel ziekenhuizen hebben een polikliniek waar dit getest kan worden. Maar het kan ook bij de GGD. Meer informatie kunt u over dit onderwerp vinden op www.soa.nl.
De anticonceptiepil kan de werking van de medicijnen tegen afstoting beïnvloeden. Start niet met de pil zonder overleg met uw arts.
Een zwangerschap na longtransplantatie brengt grote risico’s voor moeder en kind. Een zwangerschap na een longtransplantatie raden wij af. Hebt u een kinderwens? Bespreek dit met de transplantatiearts. Hij kan samen met u de voor- en nadelen in uw specifieke situatie op een rijtje zetten en met u bespreken.
Na een herstelperiode kunt u weer aan het werk. Bespreek uw werkhervatting met de transplantatiearts. Als er geen medische bezwaren zijn, kunt u weer aan het werk. Een goede opbouw van werkzaamheden is belangrijk. Ook is het raadzaam om uw financiële situatie hierbij goed in kaart te brengen. Veranderingen in uw werksituatie kunnen gevolgen hebben voor uw inkomen. De maatschappelijk werker kan u hierbij adviseren.
U kunt sommige beroepen niet meer beoefenen. Bijvoorbeeld werken in een ziekenhuis. Overleg bij twijfel met de arts of verpleegkundige.
Het eerste half jaar na de transplantatie mag u geen griepprik krijgen. Wij raden u aan na deze periode jaarlijks de griepprik te halen. Ook uw directe familieleden zouden ieder jaar de griepprik moeten halen.
Een goede lichaamshygiëne is belangrijk om infecties te voorkomen. Wij raden u aan om u dagelijks te wassen of te douchen. Douchen heeft de voorkeur. Gebruik vloeibare zeep in plaats van een stuk zeep. Gebruik dagelijks een schone handdoek en schone washand.
Was uw handen:
- na toiletbezoek
- na het snuiten van uw neus en
- voor en na het eten
Zeker in de eerste maanden na de transplantatie is een zorgvuldige mondhygiëne belangrijk om infecties te voorkomen. Poets uw tanden na iedere maaltijd. Gebruik hiervoor een zachte tandenborstel en een tandpasta met fluoride. Na gebruik de tandenborstel zorgvuldig spoelen en drogen. Neem iedere drie maanden een nieuwe tandenborstel.
Ook een kunstgebit moet goed gereinigd worden. Neem hiervoor het gebit uit de mond. Reinig ook het gehemelte en de tong met een zachte borstel. Neem ’s nachts het gebit uit. Bewaar het gebit niet in water maar droog.
Ga ieder half jaar naar de tandarts. Als u een uitgebreide behandeling bij uw tandarts moet ondergaan, zoals:
- een wortelkanaalbehandeling
- tanden of kiezen trekken en
- operatieve ingrepen in de mond
dan kan het verstandig zijn een korte antibioticakuur te volgen. Neem contact met ons op voor overleg.
Bekijk uw huid altijd zorgvuldig. Houd wondjes aan de huid goed schoon en droog. Let op tekenen van infectie (roodheid, zwelling, pijn). Krijgt u last van:
• wratten
• veranderende moedervlekken of sproeten (ze worden groter, jeuken en/of bloeden)
• puistjes of
• andere plekjes
laat dan de longtransplantatiearts een afspraak maken bij de dermatoloog. Door de medicijnen tegen afstoting hebt u een grotere kans op huidkanker. Vanwege deze verhoogde kans op huidkanker raden wij u af te zonnebaden. Dit geldt ook voor gebruik van een solarium of zonnebank. Uw huid kan door de medicijnen sneller verbranden dan u gewend was. Gebruik daarom altijd een zonnebrandcrème met een hoge beschermingsfactor (factor 20 of hoger) en gebruik een parasol.