Redenen om een oorschelp te maken zijn zowel cosmetisch als functioneel, bijvoorbeeld om een bril te kunnen dragen. Het geeft geen gehoorsverbetering. Een oorschelpreconstructie kan plaatsvinden met behulp van eigen weefsel of met niet-lichaamseigen materiaal. Wij geven de voorkeur aan lichaamseigen weefsel. Eén van de voordelen hiervan is dat het oor meegroeit met het kind.
Vanaf ongeveer het achtste jaar is een operatie mogelijk. Het normale oor is dan grotendeels volgroeid en het kind heeft voldoende ribkraakbeen. Ribkraakbeen wordt namelijk gebruikt voor het maken van het nieuwe oor. Daarnaast wordt het tijdstip van operatie bepaald door de motivatie van het kind.
Bij de eerste ingreep wordt er van eigen ribkraakbeen en huid een oor gevormd. Tijdens de tweede operatie zes maanden later wordt de oorschelp losgemaakt en in de goede stand gezet.
Er zijn minimaal twee operaties noodzakelijk, maar vaak drie.
Bij de eerste ingreep onder algehele narcose worden door de plastisch chirurg eerst de restanten kraakbeen van het onderontwikkelde oor verwijderd, omdat deze niet gebruikt kunnen worden. Tevens wordt de oorlel op de normale plaats vastgezet.
Van ribkraakbeendelen wordt een oorframe gemaakt. Voor het uitnemen van het kraakbeen wordt een snee van ongeveer 6 cm onder de ribbenboog gemaakt aan de kant van het aangedane oor. Het nieuwe kraakbeenframe wordt onder de huid geplaatst en er wordt een klein draintje (plastic buisje) achtergelaten om de huid over het frame goed te laten aanliggen.
Tijdens de eerste operatie wordt ook vaak een klein stukje kraakbeen teruggeplaatst onder de huid bij de rib, zodat dit tijdens deze tweede operatie aan de achterzijde van het kraakbeenframe kan worden geplaatst. Doorgaans worden alleen oplosbare hechtingen gebruikt.
Na de operatie wordt een hoofdverband aangelegd. De plaats waar het ribkraakbeen werd verwijderd veroorzaakt meestal meer pijn dan het oor. Hiervoor wordt goede pijnmedicatie gegeven. Na de operatie blijft het kind gemiddeld 5 dagen in het ziekenhuis. Tijdens de eerste 24-uur zal het draintje bij het geopereerde oor, elk uur geleegd worden. Dat is arbeidsintensief voor de verpleging, maar ook voor het kind en de familie. Het is niet pijnlijk. De reden voor deze intensieve handeling is dat er geen vocht mag ontstaan tussen het ribkraakbeenframe (het nieuwe oor) en de huid. De huid moet strak vastgroeien over het onderliggende kraakbeen waardoor de kans om een mooie oorschelpvorm te verkrijgen wordt vergroot. Na de eerste 24 uur zal het draintje elke 6 uur geleegd worden. Het draintje en het verband worden na 5 dagen verwijderd en volgt ontslag uit het ziekenhuis. Tijdens het verblijf in het ziekenhuis (voor de eerste 5 dagen) worden antibiotica gegeven zodat de kans op infectie van het kraakbeenframe wordt verkleind. Na verwijdering van het verband mag kort gedoucht worden. Het is niet verstandig om in de eerste twee weken na de operatie langdurig te douchen of in bad te gaan i.v.m. week worden van de wond.
Na 6 maanden kan de tweede ingreep onder algehele narcose plaatsvinden. Het nieuwe oor wordt losgemaakt, zodat het oor iets van het hoofd gaat afstaan. Hierbij ontstaat een huidtekort aan de achterzijde van de nieuwe oorschelp dat bedekt moet worden met een huidtransplantaat. Dit transplantaat wordt meestal uit de lies gehaald.
Opnieuw wordt er op de operatiekamer een hoofdverband aangelegd. Het kind blijft doorgaans één nacht in het ziekenhuis. Na 5 tot 7 dagen wordt het verband verwijderd op de polikliniek.
Als het huidtransplantaat is ingegroeid, mag de wond nat worden. Het transplantaat is vooral de eerste twee weken extra kwetsbaar.
De eerste zes weken na de operatie adviseren wij geen contactsporten. Het kind mag bijvoorbeeld na vier weken wel zwemmen, op voorwaarde dat er geen lichamelijk contact is waarbij het oor beschadigd kan worden.
Na zes weken zijn er geen beperkingen meer ten aanzien van sport of andere lichamelijke activiteiten.
Soms is een derde operatie nodig voor kleine vormverbeteringen. Deze ingreep kan meestal onder plaatselijke verdoving plaatsvinden.
Bij elke operatie bestaat er de kans op een infectie. Die kans is het grootst na de eerste operatie, waarbij een kraakbeentransplantaat is geplaatst. Om die reden worden tijdens en na de eerste operatie antibiotica gegeven.