Materiaal van patiënten dient te allen tijde als mogelijk besmet te worden beschouwd. Onder materiaal wordt verstaan: bloed, sperma, cerviaal-vaginaal secreet, liquor, amnionvocht, pleura-, pericard- en peritoneaal-, urine-, wond- en weefselvocht. Om bij de verwerking van (mogelijk) besmet materiaal het risico te verminderen, gelden naast de algemene en aanvullende hygiënische maatregelen de volgende regels:
- Het gebruik van bloed en ander dierlijk- en humaan materiaal tijdens de opleiding is op ieder moment geoorloofd, mits u daarvoor de instructie heeft gevolgd over de risico’s van het werken met deze producten.
- Bij practica wordt alleen materiaal gebruikt waarvan de herkomst duidelijk is en dat getest is op HIV, HBV, HCV en Lues.
- Bloed van patiënten wordt, behalve tijdens de co-assistentschappen/ studentklinieken niet gebruikt. Wel is het geoorloofd dat de docent voorbeelden laat zien.
- Toestaan venapunctie bij patiënten is alleen van toepassing bij de co-assistentschappen en de studentklinieken. Instructie wordt vooraf gegeven. De voorzorgsmaatregelen zijn afgestemd op het feit dat bij elke venapunctie sprake is van potentieel besmet bloed.
- Het gebruik van bloed van medestudenten wordt afgeraden, anders dan bij het oefenen van venapunctie onder deskundige begeleiding, of na screening van de student.
- Het gebruik van eigen humaan materiaal is toegestaan.