Een curettage
Suzan en Piet hebben een vlokkentest laten uitvoeren tijdens de zwangerschap. Suzan is 41 jaar. Twee weken na de vlokkentest wordt gebeld met de mededeling dat de baby Downsyndroom heeft. Suzan en Piet weten meteen al dat zij de zwangerschap willen laten afbreken en zij geven dit aan tijdens de gesprekken die volgen. Omdat de zwangerschapsduur 13 weken is, is een curettage nog mogelijk. Suzan wil een curettage; zij wil liever geen bevalling meemaken ook al is de zwangerschapsduur nog maar 13 weken.
De gynaecoloog regelt dat de curettage binnen een dag kan plaatsvinden. Er volgt nog een gesprek met de anesthesioloog. De anesthesioloog geeft informatie over de narcose.
Op de dag van de curettage melden Suzan en Piet zich om 7.00 uur s’ ochtends op de afdeling Verloskunde. Suzan is nuchter. Zij heeft na middernacht niets meer mogen eten of drinken. Op de afdeling krijgen zij een kamer voor hen alleen. Piet mag blijven totdat Suzan uiteindelijk naar huis zal gaan. Suzan krijgt een operatiejasje aan. De afdelingsarts legt de procedure van de curettage uit en hij brengt vervolgens een tablet in in de schede van Suzan. Door deze tablet zal de baarmoedermond wat weker worden waardoor de ingreep soepeler zal verlopen.
Om 12.30 uur wordt gebeld vanuit de operatieafdeling dat Suzan mag komen. Piet blijft op de afdeling Verloskunde. Op de operatiekamer wordt in de arm van Suzan een infuus ingebracht. Door het infuus wordt het verdovende middel toegediend. Als Suzan weer wakker wordt ligt zij op de uitslaapkamer. Piet zit naast haar. De ingreep heeft 10 minuten geduurd. Na een uur worden Suzan en Piet teruggebracht naar de afdeling Verloskunde. Zij krijgen wat te eten en te drinken. De controles bij Suzan zijn goed; zij heeft weinig bloedverlies en zij voelt zich goed. Anderhalf uur later kunnen zij naar huis. Er zijn twee afspraken gemaakt voor nacontrole: na 3 en na 6 weken.
Een bevalling
Els en Gerrit zijn 20 weken zwanger. Bij een zwangerschapsduur van 16½ weken hebben zij een vruchtwaterpunctie laten doen omdat Els 37 jaar is. Twee weken na de vruchtwaterpunctie hebben zij te horen gekregen dat de baby Downsyndroom heeft. De volgende dag volgt een afspraak met de erfelijkheidsdeskundige en een maatschappelijk werker. Els en Gerrit krijgen veel informatie over Downsyndroom. Na een zware week vol wikken en wegen besluiten zij de zwangerschap te laten afbreken. Zij kunnen meteen bij de gynaecoloog terecht om uitleg over de procedure te krijgen en afspraken te maken. Er wordt een datum afgesproken voor opname in het ziekenhuis. 36 tot 48 uur vóór de opname moet Els thuis een tablet innemen. Deze tablet veroorzaakt geen klachten maar het is wel het begin van het afbreken van de zwangerschap. Els vindt het innemen van deze tablet belastend en emotioneel.
In het ziekenhuis worden Els en Gerrit opgevangen door de afdelingsarts en door een vaste verpleegkundige. Er wordt informatie gegeven over de procedure en vervolgens brengt de afdelingsarts tabletten in in de schede bij Els. Enkele uren later beginnen de weeën. Ter pijnbestrijding krijgt Els een ruggenprik. Tien uur nadat de eerste tabletten zijn ingebracht vindt de bevalling plaats. Het kindje leeft niet meer bij de geboorte. Het kindje wordt Timo genoemd. Het is aan Timo niet te zien dat hij Downsyndroom heeft. Els en Gerrit schrikken daar wel van maar de afdelingsarts had het van te voren gezegd dus zij waren er gelukkig op voorbereid. Er worden foto’s van Timo gemaakt door een ziekenhuisfotograaf, maar ook door Gerrit. De verpleegkundige maakt voetafdrukjes van Timo. De ouders van Els en Gerrit en de zus van Els komen afscheid nemen van Timo. Na uitgebreid afscheid te hebben genomen gaan Els en Gerrit naar huis. Zij hebben ervoor gekozen Timo via het ziekenhuis te laten cremeren.