De praktijkondersteuner huisartsenzorg (POH) is niet meer weg te denken uit de Nederlandse huisartsenpraktijk. De waarde van deze zorgprofessionals wordt echter onderschat. Meer investeren in hun opleiding en een betere facilitering van hun werk zal leiden tot directe gezondheidswinst bij patiënten met een chronische ziekte.
 
Een praktijkondersteuner ondersteunt de huisarts bij diens werkzaamheden door een deel van de zorgactiviteiten over te nemen. Zij geven voorlichting, controleren en behandelen patiënten met een chronische aandoening zoals diabetes, COPD en Astma. Ook is het hun taak om patiënten te stimuleren om een actieve rol te nemen in het managen van hun aandoening: zelfmanagement.
 
Zelfmanagement bij patiënten met een chronische ziekte- is in alle zorgstandaarden opgenomen en is bewezen effectief. Patiënten leren om te gaan met hun aandoening, het gaat verslechtering van de gezondheid tegen en de kwaliteit van leven neemt toe.
Bij zelfmanagement is een belangrijke succesfactor de praktijkondersteuner, degene die de patiënt begeleidt. Zij zijn echter voor deze taak vaak onvoldoende toegerust en er is per consult onvoldoende tijd beschikbaar. Dit blijkt uit het onderzoek Self-management support by primary care nurses: Between promise and practice van Heleen Westland, die op 17 januari promoveerde aan de Universiteit Utrecht. 
 
Heleen constateerde eerder al in een studie dat de praktijkondersteuner het onderwerp zelfmanagement vaak kort en gefragmenteerd bespreekt en weinig aandacht heeft voor gedragsverandering. Daarom ontwikkelde zij een zelfmanagementinterventie voor patiënten met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Heleen volgde de begeleiding van 195 patiënten met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten bij 31 huisartsenpraktijken. Praktijkondersteuners werden uitgebreid getraind om de patiënten te stimuleren meer te bewegen. In drie maanden voerden zij per patiënt vier gesprekken. Een geavanceerde beweegmeter moest aantonen of, hoe en bij wie de interventie resultaat had.
 
Hoewel patiënten meer gingen bewegen, was er  geen sprake van een significante beweegtoename. De  interventie had een positief effect. Patiënten werden gemotiveerd en kregen inzicht in hun beweegpatroon. Een van de proefpersonen vertelt: ‘’Ik wandel nu iedere dag zeker een uur met de hond van de buurvrouw, dat staat in mijn beweegplan. En de sportschool vind ik het einde… ik sla geen les meer over. Ik zit beter in mijn vel.”
 
Praktijkondersteuners waren positief over de interventie en de uitgebreide training hielp hen goed bij het ondersteunen van patiënten om meer te gaan bewegen. Het maakte duidelijk dat een coachende rol effectief is. Een van hen vertelt: "Ik leerde bijvoorbeeld dat het belangrijk is om iemand zelf een oplossing te laten aandragen, niet mijn oplossing op te leggen. Als ik een stap terug doe, kan er meer vanuit de patiënt zelf ontstaan ​​en dat is heel krachtig in dit werk.”
 
Om de veelbelovende verwachtingen van zelfmanagement waar te maken, is het belangrijk dat praktijkondersteuners goed geschoold worden. Er ligt een belangrijke taak bij de  huisartsen om de praktijkondersteuner goed te faciliteren. Een fundamentele aanpassing van het gezondheidszorgsysteem op dit vlak is noodzakelijk.
 
Naar aanleiding van de studie is vanuit het Julius Centrum, Onderwijscentrum en de Hogeschool Utrecht een speciale zelfmanagementtraining ontwikkeld voor praktijkondersteuners, gespecialiseerd verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten. Deze training bestaat uit innovatieve leermethoden die geïntegreerd zijn in drie groepsbijeenkomsten, individuele coaching en training on the job.