Gerda Visch is verpleegkundige in het UMC Utrecht. Dagelijks verzorgt zij patiënten met bijvoorbeeld hardnekkige infecties of andere complexe ziektebeelden. Een situatie die ze niet snel zal vergeten was die keer dat een patiënt en zijn echtgenote weer oog voor elkaar kregen. “Het is nooit te laat”

“De man was begin vijftig. Een tijd daarvoor was hij ‘genezen’ van kanker. Hij was echter nog niet van het ziekenhuis af. Veel virussen teisterden hem op zo’n heftige manier dat de ziekenhuisopnames elkaar opvolgden. Een daarvan was het CM-virus, een herpesachtig virus dat heel moeilijk te behandelen is en vooral complicaties oplevert bij mensen met een zwak immuunsysteem, bijvoorbeeld na kanker.”

Relatie en een chronische ziekte

“Het was een karakteristieke man. Vriendelijk, maar ook eigenzinnig. Hij was getrouwd en had twee pubers. In het jaar dat hij regelmatig bij ons was, hebben ik en mijn collega’s hem goed leren kennen. Hem én zijn gezin. Helaas zien we het vaker dat een relatie nogal te lijden heeft als een van beide partners chronisch ziek is. Ook hier. Omdat hij inmiddels was afgekeurd én voortdurend ziek, stond zijn echtgenote er alleen voor: de zorg voor de kinderen, voor het inkomen en voor hem.”

“De laatste keer was hij langdurig opgenomen. Een week of zes. Medisch konden we niet precies de vinger leggen op wat hem mankeerde. Maar ook geestelijk ging hij achteruit. Zolang wij hem kenden, was hij al behoorlijk negatief, maar dat verergerde behoorlijk. Hij werd down. We merkten dat zijn vrouw niet vaak meer langskwam. Toen hij tussendoor even naar huis ging om aan te sterken,
escaleerde dat, waardoor hij sneller dan gepland weer in het ziekenhuis lag.”

Voor hem hoefde het niet meer

“Ook voor ons – verpleegkundigen – was het moeilijk. Wij wilden van alles doen om hem te helpen zich beter voelen. Hij was nergens voor in. Zei overal nee op. Ook tegen de gewone dingen: even douchen, een eindje lopen, uit bed… hij wilde niks en lag alleen maar in bed. Ik merkte dat ik weerstand begon te voelen als ik zijn kamer in wilde gaan. Als iemand helemaal niks wil, is het moeilijk dingen te blijven aanbieden. Natuurlijk deed ik dat wel. Hij was ook ambivalent: aan de ene kant duwde hij ons weg, aan de andere kant liet hij weten zich zo eenzaam te voelen. Ook alle behandelingen die hij kreeg, sloegen niet aan, of hadden zelfs een averechts effect; alles was gedoemd te mislukken. Gesprekken met collega’s van de psychiatrie en levensbeschouwing brachten geen verandering in zijn gemoedstoestand.”

“Toen hij tijdens het douchen viel en daar veel pijn aan overhield, verloor hij het laatste sprankje hoop. Dat was het moment dat we met hem en de betrokken artsen bespraken of dit nog wel een leven te noemen was? Of we wel door moesten gaan met behandelen, zonder echt uitzicht op succes. Hij was er duidelijk over: voor hem hoefde het niet meer.”

Palliatieve zorg

“Een gesprek volgde met een collega van het palliatieteam. Zij is gespecialiseerd in palliatieve zorg, dat is zorg die gericht is op het zo dragelijk mogelijk maken van de laatste periode en het overlijden. Uiteraard was zijn vrouw hierbij aanwezig. Ik was er ook. Tijdens dat gesprek zag ik hoe zij haar gevoelens voor haar man weer toeliet, hoe haar empathie voor hem terugkwam. Het leek of ze al die tijd in de overlevingsstand had gestaan en zich nu realiseerde dat ze hem echt ging verliezen. Ze braken allebei.”

Echte liefde

“In de dagen die volgden konden ze er weer voor elkaar zijn. Zij had veel verdriet, hij troostte haar. Hij was bang voor de dood, zij hielp hem daar doorheen. Ze hadden elkaar weer gevonden. Dit leidde tot een emotioneel maar warm afscheid. Voor mij bevestigde dit weer hoe waardevol het is, je echte emoties toe te laten. Natuurlijk voor hem in zijn laatste dagen, maar vooral ook voor haar. Én dat het daar nooit te laat voor is.”

Lees meer verhalen