Interview met 500e promovendus van het Hersencentrum
In juni 2013 startte het UMC Utrecht Hersencentrum met het bijhouden van het aantal promoties binnen het centrum. Iets meer dan twaalf en een half jaar later is een bijzondere mijlpaal bereikt: de 500e promotie. We spraken de 500e promovendus, Rianne de Jongh. Zij deed de afgelopen jaren onderzoek naar ALS in het lab van Jeroen Pasterkamp, en ontwikkelde een ‘zenuw-spierverbinding-op-een-chip’-model om beter te begrijpen waar en hoe de ziekte ontstaat. Op dinsdag 24 februari verdedigt ze haar proefschrift. “Cellen zijn net mensen: je kunt ze niet even op pauze zetten, zoals een tamagotchi.”
Kun je iets over jezelf vertellen?
“Ik ben Rianne, 31 jaar. Ik heb Biomedische Wetenschappen gestudeerd aan de Universiteit Utrecht en daarna de master Neuroscience & Cognition gedaan, ook in Utrecht. Tijdens mijn master liep ik stage in het lab van Jeroen Pasterkamp. Daar merkte ik hoe leuk ik het vond om zelf onderzoek te doen. Het puzzelen, het zelf opzetten van experimenten, het ontdekken van iets nieuws. Dat sprak me allemaal enorm aan. Na een tweede stage in San Diego ben ik teruggekomen naar Utrecht. Jeroen had me na mijn stage namelijk een PhD-plek aangeboden, en dat voelde als een mooie kans.
Je bent de 500e promovendus van het UMC Utrecht Hersencentrum. Wat betekent dat voor je?
“Toen ik hoorde dat ik nummer 500 zou zijn, vond ik dat vooral heel bijzonder. Binnen je eigen lab of afdeling voelt het overzichtelijk: je weet wie er promoveert, je kent elkaar. Maar als je dan beseft dat er binnen het hele Hersencentrum al zóveel mensen zijn gepromoveerd, dan krijg je pas echt een idee van de omvang van al het onderzoek dat hier gebeurt. Tegelijkertijd is het natuurlijk ook gewoon toeval. Ik had net zo goed een paar weken eerder kunnen promoveren en dan was ik het niet geweest. Maar het is wel een mooie mijlpaal. Het laat zien hoeveel kennis samenkomt in het UMC Utrecht, en hoeveel mensen hier bijdragen aan hersenonderzoek.”
Je promoveerde op onderzoek naar ALS. Kun je uitleggen wat je precies hebt onderzocht?
“ALS is een ziekte waarbij motorneuronen, dat zijn de zenuwcellen die onze spieren aansturen, afsterven. Daardoor verliezen spieren hun aansturing, wat leidt tot spierzwakte en uiteindelijk verlamming. Gemiddeld overlijden mensen drie tot vijf jaar na de eerste symptomen. Het is een hele ingrijpende ziekte. Met het oog op vroegtijdige behandelingen is een belangrijke vraag in het veld: waar begint ALS? Start het in de hersenen en verspreidt het zich naar de spieren? Of begint het juist bij de zenuwuiteinden en de spier? Om dat te onderzoeken ontwikkelde ik een menselijk model van de verbinding tussen zenuw en spier, een zogeheten ‘NMJ-on-a-chip’. We maken van huidcellen van patiënten stamcellen en laten die uitgroeien tot motorneuronen en spiercellen. Die brengen we samen in een speciaal kweekschaaltje, genaamd een microfluïdische chip, zodat we in het lab kunnen bestuderen hoe de zenuw en spier met elkaar communiceren.”
Wat ontdekte je de afgelopen jaren?
"We zagen dat er bij erfelijke vormen van ALS iets misgaat in de zenuwuitlopers, het deel van de zenuw dat contact maakt met de spier. In die uitlopers verloopt de aansturing van de productie van belangrijke eiwitten bij mensen met ALS anders dan normaal. Daardoor is van een bepaald eiwit meer aanwezig, waardoor signalen minder goed worden doorgegeven aan de spier. Ook ontdekten we dat de spieren zelf niet altijd gezond zijn. Als we zieke spiercellen combineerden met gezonde zenuwcellen, ontstonden er minder en slechter werkende verbindingen. Die bevindingen passen bij het idee dat ALS niet alleen in de hersenen begint, maar dat de problemen ook kunnen starten bij de verbinding tussen zenuw en spier. Of dat het een combinatie van beiden is.”
Hoe was het om te promoveren?
“Ik vond het heel leuk, maar het is ook intensief. Experimenten mislukken, cellen raken besmet en je moet in het weekend terug naar het lab. Cellen zijn namelijk net mensen: ze hebben voeding en aandacht nodig. Je kunt ze niet even op pauze zetten, zoals een tamagotchi. Je moet dus gemotiveerd zijn, tegenslagen kunnen verwerken en kleine successen juist vieren. Als een experiment eindelijk werkt, geeft dat veel energie. Gelukkig had ik ook hele fijne collega’s. We begonnen ongeveer tegelijk en promoveren nu rond dezelfde tijd. Je deelt de hoogtepunten én de frustraties, en dat maakt zo’n traject bijzonder.”
Wat was voor jou een hoogtepunt?
“De Tour du ALS vond ik heel indrukwekkend. Samen met collega’s en patiënten de Mont Ventoux oplopen. Als je in het lab werkt, zie je normaal gesproken geen patiënten. Dan maakt zo’n dag veel indruk. Je spreekt mensen die zelf ALS hebben of hun naasten hebben verloren. Dat geeft een extra motivatie. Als je dan later op het lab staat en het is zwaar, dan weet je weer waar je het voor doet.
Een ander hoogtepunt was een congresreis naar Schotland. Voorafgaand aan het congres maakten we met vijf collega’s een kleine roadtrip door Schotland in mijn camperbusje. Op een camping in the middle of nowhere ging de motor kapot. Gelukkig bleek er een automonteur op die camping te zijn die het probleem kon verhelpen. Dat soort ervaringen maken dat collega’s ook vrienden worden.”
Je hebt ook meegedaan aan een publieksavond in TivoliVredenburg van het UMC Utrecht Hersencentrum. Hoe ging dat?
“Klopt, dat was heel onverwacht. In eerste instantie zou Elly Hol presenteren tijdens dat evenement, maar zij werd op het laatste moment ziek. Jeroen belde mij op met de vraag: wat doe jij morgenavond? Wil je in Tivoli iets presenteren over hersenonderzoek? Daar heb ik ja op gezegd, want het is een heel mooi evenement.
Ik vond het ook erg leuk om te doen. Ik vind wetenschapscommunicatie belangrijk, en het was een mooie uitdaging om een publiek dat totaal niet weet wat wij op het lab doen, mee te nemen in mijn verhaal. Wat voor onderzoek doen wij precies? Waarom is het zo belangrijk? En hoe ver zijn we? Ik denk dat heel veel mensen geen idee hebben wat we tegenwoordig allemaal kunnen op het lab. En juist dat vind ik mooi om te laten zien.”
Bekijk de presentatie van Rianne de Jongh op New Scientist Live! Hersenziekten 2024
Je verdediging komt eraan. Hoe verloopt dat?
“Het begint met een lekenpraatje van tien minuten. Daarin leg ik voor een breed publiek, voornamelijk vrienden en familie, uit wat ik heb gedaan. Daarna volgt de verdediging van 45 minuten. De commissie stelt vragen en het is de bedoeling dat je laat zien dat je kritisch kunt nadenken en een wetenschappelijke discussie kunt voeren. Het hoeft allemaal niet perfect te zijn. Juist laten zien dat je kunt reflecteren is belangrijk: wat zou ik nu anders doen met de kennis van vandaag?
Na 45 minuten gaat de deur open. De pedel komt binnen, in toga en met een staf in de hand, en zegt: ‘hora est!’. Dat is Latijn voor ‘het is tijd’. Daarmee is de verdediging voorbij. De commissie trekt zich terug voor beraad. Daarna volgt, hopelijk, de toekenning van de doctorstitel en de laudatio van mijn promotor: een persoonlijk lofwoord waarin hij terugblikt op mijn onderzoek en mijn ontwikkeling als onderzoeker.”
Je hebt inmiddels een nieuwe baan in Zweden. Wat ga je daar doen?
“Inmiddels ben ik gestart als postdoc in het lab van Eva Hedlund aan Stockholm University en het Karolinska Instituut. Ik wilde graag in het ALS-onderzoek blijven en verder werken met stamcelmodellen van de zenuw-spierverbinding. Dit lab doet daar ook onderzoek naar, en ik kende het al van congressen, dus deze nieuwe plek sluit mooi aan bij wat ik tijdens mijn promotie heb opgebouwd.
In Zweden begeleid ik inmiddels ook weer studenten en werk ik aan nieuwe onderzoeksvoorstellen om zelf subsidies te krijgen. De komende jaren hoop ik mijn eigen onderzoekslijn verder uit te bouwen en me verder te verdiepen in de rol van de zenuw-spierverbinding bij ALS.”
Zie je een terugkeer naar het UMC Utrecht gebeuren?
“Dat zou zeker kunnen. Als ik in het ALS-onderzoek blijf, en dat denk ik wel, dan is Utrecht een logische plek om naar terug te keren. Het ALS Centrum hier is heel sterk en de samenwerking is erg goed georganiseerd. Tegelijk wil ik alle deuren openhouden. Voor nu ben ik vooral blij dat ik verder mag bouwen op wat ik tijdens mijn promotie heb geleerd.”
De cover van het proefschrift van Rianne de Jongh, getiteld ‘Where nerve meets muscle in ALS’, met daarop het nummer 500.