Dengue wordt veroorzaakt door het denguevirus, een flavivirus, en wordt overgedragen door muggenbeten. Er bestaan vier genetisch nauw verwante denguevirussen (DENV‑1 t/m DENV‑4) die serologisch weinig tot geen kruisbescherming geven. Een mens kan daardoor in zijn leven met verschillende denguevirussen besmet raken. Een ongecompliceerde dengue‑infectie manifesteert zich met acuut optredende hoge koorts, spier‑, bot‑ en gewrichtspijn, retro‑orbitale pijn en exantheem en gaat vaak gepaard met leukopenie en trombopenie. In ernstige gevallen kan sprake zijn van dengue hemorragische koorts en dengue shock syndroom.
Indicatie voor diagnostiek
* Een acuut ziekbeeld met hoge koorts, spier‑, bot‑ en gewrichtspijn en exantheem, waarbij dengue in de differentiaaldiagnose wordt overwogen.
* Klinische verdenking op ernstige vormen van dengue, zoals dengue hemorragische koorts of dengue shock syndroom.
* Klinische situaties waarin onderscheid nodig is tussen dengue en een infectie met het chikungunyavirus.
Uitslaginterpretatie en aandachtspunten
* Serum dat vroeg in de infectie wordt afgenomen kan nog negatief zijn voor dengue‑specifieke antistoffen: bij een eerste infectie is IgM vanaf ~5 dagen meetbaar, bij een secundaire infectie is IgM later of geheel niet detecteerbaar en is een exponentiele stijging van IgG titer meer betrouwbaar. NS1-antigen is wel detecteerbaar in de vroege fase.
* Door serologische kruisreactiviteit tussen verschillende flavivirussen (o.a. Zikavirus, TBEV, WNV) interpretatie van serologische uitslagen beperkt betrouwbaar zijn zonder vervolgserum. Om deze reden is de vaccinatiestatus tegen flavivirussen ook van belang bij de interpretatie.
* Voor het aantonen van een recente infectie kan een titerstijging in gepaard serum nodig zijn.
* Een dengue‑infectie kan klinisch lastig te onderscheiden zijn van een infectie met het chikungunyavirus.