Onderzoekers van het UMC Utrecht hebben een methode ontwikkeld om een zeldzame vorm van hersenkanker sneller en veiliger vast te stellen. Hierdoor kunnen artsen diagnose via een hersenoperatie soms vervangen met een ruggenprik. Daardoor kunnen patiënten eerder starten met de juiste behandeling en mogelijk een ingrijpende operatie met risico op complicaties vermijden.
De methode is gericht op hersenlymfomen, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker die artsen jaarlijks bij gemiddeld 120 mensen in Nederland vaststellen. Snelle diagnostiek is juist bij hersenlymfomen essentieel, omdat deze tumoren om een andere behandeling vragen dan de meeste hersentumoren: chemotherapie in plaats van operatieve verwijdering.
Van biopt naar ruggenprik
Nu stellen artsen de diagnose vaak met een hersenbiopt. Hierbij nemen ze tijdens een hersenoperatie een stukje weefsel weg voor onderzoek. Zo’n ingreep brengt risico’s met zich mee. Zo krijgt vier tot acht procent van de patiënten een ernstige complicatie, zoals een infectie of hersenbloeding.
Daarom werken neuroloog Tom Snijders en promovendus Sjo van Rooij aan het verbeteren van de diagnose via een ruggenprik. Daarbij nemen artsen een kleine hoeveelheid hersenvocht af. “Met deze methode konden we vroeger maar bij één op de tien patiënten de diagnose hersenlymfoom stellen,” zegt Sjo. “Door dit onderzoek is dat nu ongeveer de helft.” Voor deze groep kan een hersenbiopt daardoor achterwege blijven.
Unieke combinatie van stofjes
Voor de diagnose gebruikten de onderzoekers een combinatie van bekende stoffen (biomarkers) die kenmerkend zijn voor deze vorm van kanker. Het gaat om een mutatie in celvrij DNA, DNA-fragmenten van kankercellen in het hersenvocht, en cytokines, signaalstoffen van het immuunsysteem. Door een combinatie van deze stoffen te gebruiken, konden ze bij de helft van de patiënten met zekerheid de diagnose hersenlymfoom stellen.
“Wij laten als eerste zien dat deze combinatie betrouwbaar werkt bij patiënten bij wie we een hersenlymfoom vermoeden,” zegt Sjo. “Daarnaast hebben we onze methode getest voordat de diagnose bekend was,” vult Tom aan. “Daardoor sluit het meer aan op een situatie die lijkt op de dagelijkse praktijk.”
Sneller behandelen
De nieuwe methode verkleint niet alleen het aantal risicovolle biopten, maar maakt ook snellere behandeling mogelijk. “Dat is juist belangrijk bij hersenlymfomen,” zegt Tom. “Bij de meeste hersentumoren kunnen we de ziekte alleen afremmen, maar bij hersenlymfomen kan zestig tot zeventig procent van de patiënten genezen met de juiste behandeling.”
Patiënten krijgen gemiddeld zes dagen na de eerste klachten een ruggenprik, terwijl ze bij een biopt vaak meer dan twee weken moeten wachten. Deze tijdswinst kan blijvende schade aan de hersenen voorkomen.
Ook praktisch heeft de methode voordelen. Artsen kunnen een ruggenprik namelijk, in tegenstelling tot een hersenbiopt, ook in ziekenhuizen zonder neurochirurg uitvoeren. Hierdoor kunnen patiënten vaker in een lokaal ziekenhuis gediagnosticeerd worden, wat de belasting voor hen vermindert.
Blik op de toekomst
De onderzoekers werken aan verdere verbetering van de methode. “Niet alle hersenlymfomen hebben hetzelfde profiel en lymfomen met een andere combinatie van biomarkers kunnen nog niet worden gediagnosticeerd,” zegt Tom. Voor een deel van de patiënten blijft een biopt daarom voorlopig nodig. Door aanvullende mutaties in celvrij DNA toe te voegen aan de analyse, hopen de onderzoekers de test in de toekomst breder inzetbaar te maken.
Voor brede toepassing is ook technische implementatie noodzakelijk. Niet alle ziekenhuizen beschikken over de juiste meetapparatuur en een uniforme werkwijze is essentieel. “Dat vraagt om nauwe samenwerking tussen neuro-oncologische centra in Nederland,” zegt Sjo. “We werken daar al met verschillende centra aan, zodat we deze test zo snel mogelijk in de praktijk kunnen gaan inzetten.”
Samenwerking binnen dit onderzoek
Dit onderzoek is uitgevoerd in nauwe samenwerking met neuroloog Peter Wessels en het St. Antonius Ziekenhuis, met steun van Stichting Annie van Koeverden. Ook het Radboudumc, Amsterdam UMC en Erasmus MC leverden een bijdrage aan het onderzoek. Dankzij deze samenwerking tussen meerdere centra konden de onderzoekers de methode ontwikkelen en toetsen in de dagelijkse praktijk.