Hart- en vaatzorg moet meer oog hebben voor sekseverschillen
Het hart en de bloedvaten van vrouwen en mannen verschillen op verschillende manieren. Toch is veel kennis over hart- en vaatziekten gebaseerd op onderzoek waarin vooral mannen centraal stonden. Onderzoekers van het UMC Utrecht brachten de belangrijkste kennis over deze verschillen samen en beschrijven wat er nodig is om hart- en vaatzorg te verbeteren. Hun belangrijkste boodschap: neem biologische verschillen vanaf het begin mee in onderzoek, zodat ook diagnose en behandeling daar beter op kunnen aansluiten.
Lange tijd gingen onderzoekers ervan uit dat kennis uit onderzoek bij mannen ook gold voor vrouwen. Maar er zijn belangrijke verschillen. Zo is het hart van vrouwen gemiddeld kleiner, is hun hartslag hoger en zijn hun kransslagaders smaller. Toch houdt de zorg daar nog niet altijd rekening mee.
Ons onderzoek naar hart- en vaatziekten bij vrouwen
Elisa Dal Canto en Ernest Diez Benavente, beiden universitair docent bij het UMC Utrecht, brachten daarom in kaart hoeveel onderzoek naar verschillende hart- en vaatziekten is gedaan. Daaruit bleek dat er veel minder én pas veel later onderzoek is gedaan naar aandoeningen die vooral bij vrouwen voorkomen. De resultaten van hun onderzoek zijn gepubliceerd in Nature Medicine.
Van kennisachterstand naar nieuwe inzichten
Maar alleen vaststellen waar kennis ontbreekt, was voor de onderzoekers niet genoeg. “We wilden een stap verder gaan: wat kunnen we hiervan leren en hoe kunnen we sekse standaard meenemen in onderzoek?”, vertelt Elisa.
Dat begint al in het laboratorium. Ook celonderzoek is namelijk niet sekseneutraal, benadrukken Elisa en Ernest. Onderzoekers gebruiken bijvoorbeeld nog niet altijd cellen van zowel vrouwelijke als mannelijke donoren. Daardoor kunnen biologische verschillen al vroeg in het onderzoek buiten beeld blijven.
Ook in klinische studies moeten onderzoekers rekening houden met deze verschillen. In veel onderzoek naar hart- en vaatziekten doen nog relatief weinig vrouwen mee. “Hierdoor krijg je weinig of onvoldoende bewijs”, vertelt Ernest. “En zonder dat bewijs wordt het moeilijk om richtlijnen te verbeteren.” Zo houdt het probleem zichzelf in stand: weinig onderzoek leidt tot weinig bewijs, waardoor verschillen ook minder snel hun weg vinden naar de zorg.
Greet (76) leeft met een erfelijke hartspierziekte
Greet heeft een erfelijke hartspierziekte door een mutatie in het PLN-gen. Een gerichte behandeling voor deze ziekte is er nog niet. Nu doet ze als eerste patiënt in Utrecht mee aan een klinische studie naar een nieuwe gentherapie.
“Misschien heb ik er zelf niets aan, maar hopelijk anderen in de toekomst wel.”
Beter bepalen wat ‘normaal’ is
Ook moeten artsen bestaande kennis beter vertalen naar de spreekkamer. “Met MRI en echo meten we bijvoorbeeld de grootte van de linkerhartkamer en -boezem en hoe het bloed door het hart stroomt”, vertelt Elisa. “We weten dat sommige van deze waarden verschillen tussen vrouwen en mannen, maar voor veel metingen gebruiken we nog geen aparte referentiewaarden.”
Rekening houden met deze verschillen maakt diagnostiek ingewikkelder en vraagt extra kennis van zorgprofessionals. Toch is die ontwikkeling volgens Elisa onvermijdelijk. “Als we erkennen dat mensen van elkaar verschillen, wordt het complexer. Maar het betekent ook dat we de diagnostiek beter kunnen afstemmen op wat de patiënt nodig heeft.”
Dezelfde taal spreken
Soms zijn ook duidelijke medische termen en definities nodig om onderzoek verder te brengen. Elisa noemt HFpEF als voorbeeld, een vorm van hartfalen die vaker bij vrouwen voorkomt. “HFpEF laat goed zien wat er kan gebeuren als onderzoekers dezelfde taal spreken en duidelijke criteria voor de diagnose gebruiken. Daardoor kunnen ze resultaten beter vergelijken en makkelijker bewijs opbouwen. Je ziet het onderzoek daarna echt op gang komen”, vertelt ze.
Een gezamenlijke definitie maakt het namelijk makkelijker om onderzoeken met elkaar te vergelijken, kennis samen te brengen en beter samen te werken. Zo wordt duidelijker wat onderzoekers al weten én welke vragen nog openstaan.
Van verschil naar vanzelfsprekendheid
Het verbeteren van de hart- en vaatzorg voor vrouwen draait niet om één aanpassing, maar om een andere manier van onderzoek doen. “Je moet die kennis stap voor stap opbouwen, zodat we die uiteindelijk kunnen vertalen naar richtlijnen en betere zorg”, vertelt Ernest. Zo ontstaat kennis die beter aansluit bij iedereen met een hart- of vaatziekte.