Kanker

Mensen met kanker willen betrokkenheid huisarts

Patiënten met kanker hebben behoefte aan meer betrokkenheid van hun huisarts, na de diagnose in het ziekenhuis. Onder andere bij gezamenlijke besluitvorming voor de behandeling. De planning hiervan is echter een uitdaging. Dit blijkt uit het GRIP-onderzoek, dat is uitgevoerd vanuit het UMC Utrecht. Het UMC Utrecht heeft samen met andere ziekenhuizen en huisartsen in de regio samenwerkingsafspraken om de begeleiding van patiënten met kanker te verbeteren. 

Het is belangrijk dat patiënten kunnen meebeslissen over hun behandeling, zodat die aansluit op hun voorkeuren en prioriteiten. Het aantal behandelmogelijkheden neemt toe, mensen leven langer en de kwaliteit van leven wordt steeds belangrijker. De huisarts kan in dit beslissingsproces een ondersteunende rol spelen. 

Betrokkenheid verbeteren

Medio september promoveerde huisarts in opleiding Ietje Perfors op interventies die meer betrokkenheid van de huisarts na de diagnose kanker stimuleren. Met een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek onderzocht zij onder andere de GRIP-interventie. De GRIP-interventie had als doel om zowel de gestructureerde begeleiding van patiënten met kanker door huisartsen als de betrokkenheid van patiënten bij behandelbeslissingen te verbeteren. Gezondheidswetenschapper Eveline Noteboom promoveert half oktober en onderzocht de rol van de huisarts en die van patiënten in de besluitvorming voor de behandeling voor kanker. Dit deed zij onder andere met kwalitatief onderzoek naar een onderdeel van de GRIP-interventie: het Time-Out Consult (TOC) bij de huisarts. 

GRIP-interventie

Eerder onderzochte interventies om de betrokkenheid van huisartsen bij kankerpatiënten te verbeteren, lieten zien dat deze vaak niet werd uitgevoerd zoals gepland en dat de resultaten voor patiënten niet eenduidig waren. In nauwe samenwerking met de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK) en regionale eerstelijnszorgverleners ontwikkelde een team van het UMC Utrecht de GRIP-interventie. De GRIP-interventie bestaat uit twee componenten. Het eerste component is het TOC: dit is een consult met de huisarts vlak na de diagnose, waarin de huisarts de patiënt voorbereidt op de behandelkeuze in het ziekenhuis. Het tweede component bestaat uit structurele begeleiding tijdens en na de behandeling door de eerstelijns oncologieverpleegkundige (EOV) in samenwerking met de huisarts. 

Na de behandelkeuze

Uit vragenlijstonderzoek van Ietje en Eveline in samenwerking met NFK blijkt dat 82% van de patiënten wenst dat de huisarts luistert naar zorgen en overwegingen over de diagnose, behandeling en gevolgen daarvan. Ietje: “Patiënten zijn gemotiveerd voor bezoek aan de huisarts voor een TOC, maar adequate timing hiervan blijkt een uitdaging. In ruim 82% van de gevallen in het GRIP onderzoek had een patiënt pas een gesprek met de huisarts, nadat de behandelingskeuze in het ziekenhuis al was gemaakt.” Een reden hiervoor is onder andere de sneldiagnostiek in het ziekenhuis. 

Geïntegreerd in zorgpad

De conclusies uit het onderzoek van Eveline naar het TOC sluiten aan bij de bevindingen van Ietje. Eveline: “Het TOC kan de rol van patiënten in de gezamenlijke besluitvorming versterken en kan leiden tot een meer gepersonaliseerde behandelkeuze. Patiënten ervaren psychologische steun van huisartsen na de diagnose en waarderen dit. In het GRIP-onderzoek kwam het TOC voor veel patiënten helaas - kort door de bocht gezegd-  als mosterd na de maaltijd. Daarnaast ervoeren patiënten niet altijd dat er een keuze in de behandeling was. Om de huisarts op tijd te betrekken na de diagnose kanker en het TOC in het dagelijkse zorgpad voor patiënten met kanker te integreren, moet de samenwerking tussen de specialist en de huisarts worden verbeterd. Hiervoor is het belangrijk dat de wensen van patiënten continu naar boven worden gehaald door de specialist en de huisarts. Daarnaast zijn er richtlijnen nodig, waarin afspraken over verantwoordelijkheden en communicatie zijn vastgelegd.”

Regionale transmurale afspraak

Internist-oncoloog Alexander de Graeff is namens het UMC Utrecht betrokken geweest bij het vaststellen van een regionale transmurale afspraak voor oncologische zorg in de regio Utrecht op initiatief van het professionele zorgnetwerk Trijn. Hierin zijn afspraken voor gestructureerde samenwerking tussen de eerste- en tweede lijn bij de behandeling en begeleiding van patiënten met kanker vastgelegd. Alexander: “Helaas is in het GRIP-onderzoek niet bewezen dat een TOC tot meer gedeelde besluitvorming leidt, maar dat komt vooral omdat het TOC in veel gevallen pas na de behandelkeuze is gevoerd. Specialisten, huisartsen en oncologieverpleegkundigen in de regio zijn echter overtuigd van het nut van een TOC. Daarom hebben we dit vastgelegd in de regionale transmurale afspraak. Nadat een patiënt in het ziekenhuis is geïnformeerd over de diagnose en behandelmogelijkheden of de voorgestelde verandering van een behandeling, is het de afspraak dat de specialist de patiënt wijst op een TOC bij de huisarts. Vanzelfsprekend zetten we ons in om dit gesprek daadwerkelijk voor de behandelkeuze te laten plaatsvinden. In de praktijk is dat niet altijd eenvoudig. Onder andere omdat een patiënt graag snel een diagnose ontvangt en ook snel aan de behandeling wil beginnen. We moeten er dus echt tijd voor inruimen.”  

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Reageer als eerste

Reacties

Reageer

Om spam te voorkomen vragen we u de onderstaande code over te typen.