-
Methode
-
Kwantitatieve Real Time PCR
-
Bepalings-frequentie
-
5 keer per week op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag. Materiaal dient de dag voor de bepaling voor 16:00 op het laboratorium aanwezig te zijn.
NB: Uitslag volgt uiterlijk de volgende middag.
-
Referentie-waarden
-
Er wordt getest op de volgende varianten: *6, *27, *28 (TA7), *36 (TA5), *37 (TA8)
De uitslag van de test is een genotype, dat een voorspeld fenotype geeft. De voorspelde fenotypes zijn: Normal metaboliser (NM), Intermediate metaboliser (IM) en Poor metaboliser (PM).
-
Klinische betekenis
-
UGT1A1 behoort tot de Uridine difosfaat-glucuronosyltransferases en is betrokken bij de glucuronidering van geneesmiddelen en lichaamseigen substraten (bilirubine).
Variaties in het gen dat codeert voor UGT1A1 kunnen leiden tot een verlaagde, verhoogde of afwezige enzymactiviteit. Hierdoor is er sprake van een verschil in metabole capaciteit, wat gevolgen heeft voor de plasmaspiegel van een geneesmiddel of de actieve metaboliet daarvan. In het geval van het *36 (TA5) allel is er sprake van een verhoogde enzymactiviteit. Er zijn echter geen data die erop wijzen dat dit leidt tot klinisch relevante effecten.
Bij genotypering wordt het genotype vastgesteld. Het geeft aan welke allelen van het gen voor UGT1A1 het geteste individu bezit. Elk allel heeft een naam die bestaat uit een ster (*) en een nummer. Het voorkomen van de verschillende UGT1A1-allelen en voorspelde fenotypes varieert sterk tussen verschillende bevolkingsgroepen.
Op basis van het genotype, kan de uitslag van de genetische test worden vertaald in verschillende voorspelde fenotypes:
• Poor metaboliser (PM), sterk verlaagde of afwezige metabole capaciteit
• Intermediate metaboliser (IM), verlaagde metabole capaciteit
• Normal metaboliser (NM), ‘normale’ metabole capaciteit
Afhankelijk van het voorspelde fenotype kunnen er therapeutische consequenties zijn, voor specifieke geneesmiddelen, zoals een aanpassing van de dosering of een keuze voor een ander geneesmiddel. Bij UGT1A1 is IM het meest voorkomende fenotype in Kaukasische bevolking, hierbij is daarom geen dosisaanpassing van geneesmiddelen geïndiceerd.
-
Aanvullingen
-
Geneesmiddelen met een ja/ja-interactie* voor minimaal één van de voorspelde fenotypes:
Irinotecan [2]
Voor meer informatie, kijk op de website van de KNMP of de KNMP Kennisbank
*Ja/ja-interactie: ja er is een gen-geneesmiddelinteractie, ja er is actie nodig. Vastgesteld door de Werkgroep Farmacogenetica (DPWG).
-
Referenties
-
[1] KNMP. Algemene achtergrondtekst Farmacogenetica – UGT1A1; geraadpleegd op 12/02/2026
[2] KNMP. Farmacogenetica; geraadpleegd op 11/02/2026
-
Accreditatie
-
ISO15189 (M049, CH.KCA.05; M219, KF.GEN.01)