Europa bereidt zich voor op COVID-vaccinaties

Zodra er op grote schaal tegen COVID-19 gevaccineerd kan worden, moet je de werkzaamheid en eventuele bijwerkingen van de diverse vaccins kunnen monitoren, zegt Miriam Sturkenboom. Zij is een van de Utrechtse projectleiders die er met vele Europese onderzoekers voor moeten zorgen dat Europa tijdig hierop is voorbereid.

Wereldwijd zijn er meer dan honderd kandidaat-vaccins tegen COVID-19 in ontwikkeling. Zo’n tien daarvan worden nu al op kleine schaal in mensen getest, vooral in China en Amerika. Omdat vaccins de enige oplossing lijken te zijn voor de coronapandemie, inclusief de bijkomende beperkingen in het dagelijks leven, is er een enorme druk om ze de markt op te krijgen. “Normaal duurt de ontwikkeling van een vaccin zo’n tien tot vijftien jaar, nu moet het binnen een jaar”, vertelt Miriam Sturkenboom, hoogleraar Observational Data Analysis en werkzaam in het UMC Utrecht. “Daarbij slaan de ontwikkelaars geen stappen over, maar ze doorlopen elke stap versneld. Als een vaccin dan over enige tijd op de markt komt, zal het waarschijnlijk maar in een aantal duizend mensen getest zijn. Vanwege de korte doorlooptijd is de onderzoeksgroep nu eenmaal gelimiteerd en zullen bepaalde subgroepen als ouderen, zwangeren en kinderen niet of nauwelijks in het onderzoek zijn meegenomen.”

Europese infrastructuur

De grote vraag is dan wat de zogeheten benefit-risk balance van die vaccins zal zijn, nadat ze op de markt zijn gebracht. Oftewel: hoe effectief zijn ze als er massaal mee gevaccineerd gaat worden? Hebben ze bijwerkingen en zo ja, welke? En: is de verhouding tussen werkzaamheid en risico’s wellicht anders voor bepaalde subgroepen? Miriam: “Wat je nodig hebt om deze vragen snel en goed te kunnen beantwoorden is een grootschalige – Europese – infrastructuur van data toegang, mensen, kennis en tools, die gefinancierd wordt. Als er massaal tegen COVID-19 gevaccineerd kan worden, moet alles klaar staan om de effectiviteit en veiligheid van die vaccins te monitoren.”

Nederlandse aandeel

Het ACCESS-project (vACcine Covid-19 monitoring ReadinESS) moet Europa hiervoor de komende zes maanden in gereedheid brengen. De European Medicines Agency (EMA) heeft een contract afgesloten met het European Pharmacoepidemiology & Pharmacovigilance Research Network en de Vaccine monitoring Collaboration for Europe (vac4eu.org). In deze netwerken hebben het UMC Utrecht en de Universiteit Utrecht (UU) een trekkersrol. Het ACCESS-project wordt daarom geleid door Miriam in samenwerking met Olaf Klungel, hoogleraar Farmaco-epidemiologische Methoden aan de UU. Het Nederlandse aandeel in het project is trouwens aanzienlijk, want ook het RIVM, bijwerkingencentrum Lareb en het PHARMO Instituut hebben een belangrijke rol.

100 miljoen Europeanen

Een andere belangrijke samenwerkingspartner is het Vaccine monitoring Collaboration Network for Europe (VAC4EU). Miriam: “VAC4EU is een Europese non-profit vereniging waar organisaties lid van kunnen worden. Dat is een goed concept om een langdurige samenwerking te realiseren. Op dit moment nemen al 22 organisaties deel en er melden zich nog steeds nieuwe aan. Zo ontstaat een samenwerking van publieke, relatief onafhankelijke partijen.” VAC4EU heeft via de aangesloten leden bijvoorbeeld toegang tot anonieme gezondheidsdata van meer dan honderd miljoen Europeanen, die in de landen zelf op dezelfde wijze geanalyseerd kunnen worden. “Het is belangrijk dat we die snel in groten getale kunnen analyseren en uitwisselen als er met vaccineren begonnen wordt. Dan weten we continu waar we aan toe zijn.”

Meetmethoden

Als een COVID-vaccin door de EMA is goedgekeurd voor de Europese markt, zal de fabrikant het gaan distribueren in landen waar ze het verkocht hebben. Miriam: “Elk land heeft zijn eigen systeem om te volgen hoe effectief en veilig zo’n vaccin is, maar de meeste landen zijn te klein om veiligheid goed te kunnen meten. Stel dat in Nederland vaccin 1 gebruikt wordt, in Denemarken vaccin 2 en in Duitsland vaccins 3 en 4. Over en weer kan er beter van elkaar geleerd worden als we samenwerken. In Europees verband kunnen we expertise delen: sommige landen hebben uitstekende vaccin-experts en andere landen hebben uitmuntende specialisten in analysescripts.” Een ander voordeel van samenwerking zijn gedeelde protocollen. “Bepaalde stoffen – het zogeheten vaccinplatform – kunnen in vaccin 1 en 4 bijvoorbeeld hetzelfde zijn, maar als iedereen verschillende meetmethoden hanteert, zijn de resultaten niet goed vergelijkbaar. Nu maken we gemeenschappelijke protocollen hoe we de effectiviteit en veiligheid van een vaccin meten, die lokaal worden ingezet. Zo kunnen we snel met de EMA schakelen en de benefit-risk ratio evalueren.”

Zonder vaccinatie

Vandaag gaat het ACCESS-project van start. Het is de bedoeling dat de hele infrastructuur over zes maanden staat. Dat betekent dat protocollen klaar zijn, dat de benodigde big data toegankelijk en bruikbaar zijn, dat de mensen getraind zijn en elkaar weten te vinden, en dat de benodigde tools gereed zijn (zie hier bijvoorbeeld de toolbox van VAC4EU). Bij de voorbereiding horen ook berekeningen hoe vaak bepaalde ziektebeelden normaliter voorkomen, dus zonder vaccinatie. Miriam: “We gaan voor 100 miljoen mensen in Europa vast berekenen hoe vaak er zonder vaccinatie sprake is van ernstige ziekten als het acuut respiratoir syndroom, anafylactische shock en het Guillain-Barré syndroom. Dit is nodig om meldingen van bijwerkingen, die komen nadat de vaccins worden geïntroduceerd, goed te kunnen interpreteren. Als we beginnen met massaal vaccineren, bijvoorbeeld bij ouderen en zorgpersoneel, dan kunnen we snel zien of er meer ziektegevallen worden gemeld dan we zouden verwachten. De lijst met relevante aandoeningen waarvoor we deze berekeningen willen maken, zijn we nog aan het samenstellen met de WHO en de EMA.”

 Mexicaanse griep

“Eigenlijk is dit een Europees succesverhaal”, vertelt Miriam. De basis voor wat we nu kunnen doen, is gelegd na de Mexicaanse Griep-pandemie in 2009. Toen ontstond het inzicht dat een Europese infrastructuur om vaccins te kunnen monitoren echt noodzakelijk is. Deze is in de afgelopen jaren ontworpen en getest in het IMI-ADVANCE project, wat uiteindelijk uitmondde in VAC4EU. Daar plukken we nu de vruchten van: wat er toen is ontwikkeld, kunnen we nu inzetten en uitbouwen.